De gelegde eieren
worden zo snel mogelijk uit het terra gehaald. De grootste
voorzichtigheid is hier geboden, draai de eieren dus niet! Het
embryo zit niet vast zoals dat bij vogels wel het geval is. Het Embryo kan hierdoor loslaten en afsterven. Men dient de eieren dus
kunstmatig uit te broeden omdat dit beter controleerbaar is en de
broedomstandigheden zijn op deze wijze optimaal en controleerbaar,
wat niet het geval zou zijn als men ze in het terrarium laat liggen.
De temperatuurschommelingen zijn hier te hevig en indien de jongen
zouden uitkomen zouden de ouderdieren ze opeten. Bevruchte eieren
zijn meestal egaal wit en strak, als men ze zou doorlichten kan men
ook de kiemschijf waarnemen en adertjes zien lopen. Eenmaal men de
eieren gaat uitgraven moet de broedstoof al klaar staan en op de
juiste temperatuur staan, vanzelfsprekend geldt dit ook voor de
vermiculiet of substraat waar men de eieren gaat in uitbroeden.
De volgende zaken
zijn van belang bij de incubatie:
De
temperatuur van het substraat
De
vochtigheid van de lucht
De vochtigheid
van het substraat
De
hoeveelheid zuurstof om het ei
De
temperatuur van incubatie is de temperatuur die men in het substraat
meet, dus niet de luchttemperatuur. Deze temperatuur moet tussen
26°C en 32° C liggen met zo weinig mogelijke schommelingen. Deze
temperatuur heeft een invloed op een aantal zaken. Globaal gezien
heeft het uitbroeden op een lage temperatuur meer kans op
vrouwelijke jongen, hogere temperaturen geven dan weer meer kans op
mannelijke jongen. De tussenliggende temperaturen leveren dan weer
meer een gemengde geslachtsverdeling op. Dit is bij sommige
reptielen wel het geval, maar uit eigen ervaring is dit bij
baardagamen niet het geval, sommigen beweren dan weer van wel.
Wat zeker is, is dat de temperatuur
een invloed heeft op de incubatietijd, zo geven hogere temperaturen een
snellere ontwikkeling en lagere een langere ontwikkeling. Daar tegen
over geven lagere temperaturen vaak sterkere jongen, misvormde
jongen zijn vaak het gevolg van te hoge temperaturen. De
luchtvochtigheid dient hoog te zijn (80-100%). Het substraat dient het
vocht goed vast te houden, vermiculiet is een stof die veel gebruikt
wordt en is dan ook ideaal. Men vult een bakje met vermiculiet en
dit weegt men vervolgens doe je er aan dezelfde hoeveelheid gewicht
water bij om de juiste verhouding te verkrijgen. In een te droog
substraat drogen de eieren uit en in een te vochtig substraat nemen
de eieren teveel vocht op zodat de druk in de eieren stijgt en de
jongen sterven. Als de eieren invallen betekent dat het te droog is,
men kan dan bv. met een spuitje het substraat rond de eieren vochtig
maken (met water op temperatuur). Ook kan men een dekseltje op de
doosjes plaatsen om zo de vochtigheid op peil te houden, verwijder
dan wel regelmatig de druppels van het deksel zodat deze niet op de
eieren terecht komen. Zorg wel dat er zuurstof bij de eitjes kan
door middel van gaatjes in doosje.
Draai de eieren
nooit!
De eerste 24 uur
van de ontwikkeling is het draaien minder ernstig maar achteraf is
dit noodlottig. Markeer de eieren desnoods zodat ze bij eventuele
verplaatsing terug in de originele stand komen te liggen. Leg de
eieren met hun onderste helft in het substraat, trek vastgekleefde
eieren niet los. Help een uitkomend jong nooit! Het kan wel 24 uur
of zelfs langer duren eer een jong uit het ei kruipt. Vlak voor
uitkomst vallen eieren in. Ook moet men niet wanhopen als alle
eieren niet uitkomen, dit is normaal. Sommigen proberen jongen te
helpen die niet uit het ei geraken door er een sneetje in te maken.
Maar of dit nuttig is kan men zich afvragen daar deze zwakke jongen
zijn die in de natuur ook geen kans zullen krijgen en meestal te
zwak zijn om het te halen.